PhD-leven

Ik bluf mijzelf door het leven en het gaat tot nu toe best goed.

Iedereen in wetenschapsland heeft het tegenwoordig: het imposter syndrome (oplichterssyndroom voor de Nederlandssprekende mensen onder ons). De mensen die het niet hebben, hebben het wel gehad in het verleden of hebben minstens vier collega’s die het wel hebben. Het is dus een uitzonderlijk goed gespreksonderwerp als je even niet zoveel te zeggen hebt over het weer. Maar wat is het imposter syndrome? En heb ik het ook?

Het imposter syndrome houdt in dat je continue het idee hebt dat je eigenlijk niet goed genoeg bent en dat je ieder moment door de mand kunt vallen. Ook als je eigenlijk prima werk aflevert, hebben mensen met het imposter syndrome het gevoel dat zij niet goed genoeg zijn. Het kan zich op verschillende manieren uiten, maar vaak heb je dus het gevoel dat je de boel belazert, wijt je je successen aan geluk of goede timing in de plaats van je eigen kunnen en ben je een ster in het afzwakken van je eigen successen.

Het schijnt met name voor te komen bij mensen die het eigenlijk best wel goed doen in het leven en vaker bij vrouwen dan bij mannen. Wikipedia heeft zelfs een speciaal kopje “Bij Succesvolle vrouwen”. Hierbij een directe overname van dit kopje van Wikipedia (bron: Wikipedia, want het is een artikel van Wikipedia. Wikipedia is fantastisch #nospon):

Imes en Clance vonden verschillende soorten gedrag bij vrouwen met het oplichterssyndroom:

  • IJver: Begaafde vrouwen werken vaak hard om te voorkomen dat men ontdekt dat ze de mensen “bedriegen”. Dit harde werk leidt vaak tot meer lof en succes, wat de oplichtersgevoelens en de angst “door de mand te vallen” in stand houdt. De “bedriegsters” voelen misschien dat zij twee of drie keer zo hard moeten werken, en bereiden zich daarom extra goed voor en maken zich zorgen over details. Dit kan leiden tot een burn-out en slaapgebrek.
  • Het gevoel onecht te zijn: Een vrouw met oplichtersgevoelens tracht vaak aan leidinggevenden en professoren de gewenste antwoorden te geven, wat kan leiden tot een groeiend gevoel dat ze “onecht” is.
  • Gebruik van charme: In verband hiermee gebruiken begaafde vrouwen vaak hun intuïtieve waarnemingsvermogen en charme om goedkeuring en waardering te krijgen van leidinggevenden, en kiezen relaties met leidinggevenden om hun intellectuele en creatieve vaardigheden te vergroten. Wanneer de leidinggevende haar echter prijst of erkenning geeft, voelen zij dat deze lof gebaseerd is op haar charme en niet op haar kundigheid.
  • Vermijden van tekenen van zelfvertrouwen: Een andere manier waarop een vrouw haar oplichtersgevoelens in stand kan houden, is te vermijden te tonen dat ze vertrouwen in haar vaardigheden heeft. Zij kan denken dat ze door anderen afgewezen zal worden als ze werkelijk gelooft in haar intelligentie en vaardigheden. Om dit te vermijden, kan ze zichzelf ervan overtuigen dat ze niet intelligent is of geen succes verdient.

Check, check, check en check. En precies omdat ik zelf aan alle kenmerken voldoe, vind ik het hele imposter syndrome echt onzin: vrijwel iedere beginnende wetenschapper heeft hier last van. Ja, het zou leuk zijn als iedereen wat meer toegeeft dat hij of zij ook onzeker is en dat echt niet alles wat ze doen briljant is. Ja, het helpt als je jezelf niet continu vergelijkt met de hoogleraar en voor het gemak maar even vergeet dat diegene over het algemeen dertig jaar meer ervaring heeft, maar misschien moeten we in de plaats van massale coming outs – “Ik vind het moeilijk om te zeggen, maar ik moet het toch echt doen. Ik heb heel erg last van het imposters syndrome” – ons wat meer focussen op blij zijn met wie je bent en wat je doet. En bedenken dat jouw onderzoek niet je identiteit is. En dat het oké is om te falen, want het is echt helemaal oké om fouten te maken. We doen allemaal maar wat. Sterker nog, met ‘faking it’, schijnt de basis te zijn voor onze beschaving als we de mensen van Freakonomics moeten geloven. Dus eigenlijk zijn we met zijn allen gewoon heel lekker bezig en moeten we vooral wat vaker de boel oplichten (mits je dat natuurlijk niet op een strafbare manier doetm en geen burn-outs oploopt omdat je miljoen uren per week werkt).

Overigens hebben niet alleen beginnende wetenschappers last van het imposters syndrome, maar ook beginnende high potentials, millenials, yogi master en om het nog breder te maken: iedere volwassene; Want laten we eerlijk zijn, wie weet wel precies hoe je de was moet scheiden, hoe het nou zit met spinazie en vis en opwarmen, en hoeveel kussen je in godsnaam moet geven om ongemakkelijke situaties te voorkomen? Ik niet, maar ik doe lekker wel alsof.

Met heel veel ongemakkelijk kus-situaties als gevolg.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *